:: Luchtverkenningssystemen ::
::306 Squadron
::Videre Vincere Est
Het Orpheus Luchtverkenningsysteem

De Orpheus pod is ontstaan uit nauwe samenwerking in 1966 tussen De Oude Delft Optische
Industrie, het Nationaal Lucht en Ruimtevaart Laboratorium (NLR) en Fokker.
De camera’s en de benodigde elektronica werden geleverd door Oude Delft. Dit waren 5
daglicht camera’s en 1 Infra Red Line Scanner (IRLS). De licht metalen gondel is in
samenwerking met het NLR door Fokker ontwikkeld.

De Orpheus pod
De pod is ca. 350 kg. zwaar en heeft een lengte van 3.75 meter met een doorsnede van 47 cm.
In de pod zijn van voor naar achter ondergebracht, de vijf daglicht camera’s, de Infra Red Line
Scanner en de Coupler Control Unit (CCU) waarin het grootste deel van de elektronica is
verwerkt.
De complete pod wordt met behulp van twee haken onder het Centerline Rack (midden onder
de romp) van het vliegtuig gehangenen met twee kabels aangesloten op de speciale
bekabeling van het vliegtuig. Het systeem werkt volautomatisch als de vlieger in de cockpit de
camera’s en/of de scanner in werking stelt.
Het geheel is ontwikkeld voor luchtverkenning op lage hoogte en met grote snelheid. De
temperatuurslimieten waaronder geopereerd kan worden liggen tussen de -54 en de +71
graden Celsius.

























De vliegsnelheden waarbij dit allemaal gebeurt liggen tussen de 500 en 1100 km/u en de beste
resultaten worden bereikt tussen de 30 en ca. 500 meter hoogte.


















De Infra Red Line Scanner
Dit systeem werkt met het registreren van temperatuursverschillen die met behulp van een
ingenieus elektronisch systeem op film worden vastgelegd. De gevoeligheid is zodanig dat de
verschillen van 0.1 graad Celsius worden geregistreerd en dit maakt het mogelijk vrijwel altijd
foto’s te maken. We moeten dit “ foto’s maken” bij de IRLS zien als het lijnen volschrijven van
een film. De rotor van de scanner draait met een snelheid van 12000 omwentelingen per
minuut. Dit houdt in dat er per omwenteling van de rotor drie lijntjes op de film worden
geschreven. Het negatief van de IRLS bestaat na het fotograferen dan ook uit een groot aantal
aaneengesloten lijntjes.
Zowel de daglicht de daglicht camera’s als de IRLS hebben een cassette met 45 meter film
waarvan per doel ongeveer 4 meter gebruikt wordt. De belichte film wordt in een donkere kamer
afgeknipt zodat de rest opnieuw kan worden gebruikt.




















De Orpheus-pod heeft een eigen temperatuur huishouding.
Als de temperatuur boven de 44 graden Celsius uitkomt, treedt automatisch het koelsysteem in
werking. De pod beschikt over een watertankje waaruit gedemineraliseerd water heel fijn wordt
verneveld in de koellucht.
Door de verdamping van het water daalt de
temperatuur in de pod. Al naar gelang de
hoogte van de temperatuur kan de intensiteit
van het vernevelen worden opgevoerd waar
door een gegarandeerde maximum tempera
tuur in de pod niet wordt overschreden. Mocht
de temperatuur beneden de 10 graden Celsius
komen worden er elektronische verwarmings
elementen ingeschakeld die condensvorming
op de ruitjes van de pod en lenzen van de camera’s
tegengaan. Beide systemen, koelen en verwarmen, zijn ingebouwd om de elektronica te
beschermen. Daar komt nog bij dat bij hoge temperaturen de ontwikkelwaarde van de film
achteruit gaat en dat bij lage temperaturen de kans op afbreken van de film ontstaat. Het geheel
wordt door speciaal hiervoor opgeleide specialisten onderhouden waardoor een hoge graad
van inzetbaarheid wordt gehaald.


Er wordt gewerkt aan de "roeiboot", Recce-lite en PRISM.
Fairchild K-17C en K-22 camera, deze werd gebruikt in de RF-84 Thunderflash.
Foto's: copyright Smithsonian National Air and Space Museum
In 1911 gebruikten de Italianen
(waarschijnlijk als eerste) vliegtuigen
voor oorlogsdoeleinden. De Kapitein
Carlo Piazza had een camera in zijn
Blériot gemonteerd. Op 23 oktober
1911 maakte hij foto’s van Turkse
stellingen in Libië. Zoals u wellicht
weet, waren camera’s in die tijd
zogenaamde ‘platencamera’s, waarbij
na elke opname een belichte plaat uit
het fotoapparaat werd gehaald en door
vervangen.
Het resultaat was verbluffend, en de
toenmalige inlichtingendiensten voeren
er wel bij. Onder aanvoering van de
Fransen begonnen ook andere landen
te experimenteren.

Vanaf de Eerste Wereldoorlog is
luchtverkenning een belangrijk
onderdeel van de luchtstrijdkrachten,
daarbij werd de basis gelegd voor de
hedendaagse luchtverkenning. De
vliegtuigen en camerasystemen zijn
enorm gemoderniseerd, maar de
rapporteringen worden nog steeds
door mensen gedaan.

De Nederlandse strijdkrachten krijgen
ook steeds meer behoefte aan deze
manier van Intelligence Collection, en
niet lang na het einde van de Tweede
Wereldoorlog is het een feit, de
Nederlandse strijdkrachten krijgen een
fotoverkenningssquadron.
De RF-84F Thunderflash.

Bij de Thunderflash was de luchtinlaat, in tegenstelling tot de luchtinlaat van de Thunderjet en
Thunderstreak, aan de zijkanten van de romp aangebracht. Hierdoor kwam de gehele neus ter
beschikking voor fotoapparatuur.
In de neussectie van de Flash was plaatst voor een vijftal camera’s waarbij men de keuze had
uit maximaal 15 verschillende soorten camera;s: 6 voorruitgericht, 1 tri-metrogen, en 8 oblique
camera’s voor doelen. De camera’s waren van het type “Fairchild” te weten
K-17C, K-22, KA-2, T11 en K-38, elk met meerdere optiek mogelijkheden variërend van 6 tot 36
inch. Ook kon de Fairchild K-37 camera voor nachtopnamen, mogelijk gemaakt door het
meevoeren en afschieten van “Flash-flares”, worden meegenomen in de neus van de kist.
Nieuw voor die tijd was de metrogen camera, het computergestuurde systeem dat de camera’s
aangepaste aan de lichtsterkte, snelheid en vlieghoogte teneinde foto’s te kunnen nemen met
meer contrast.
In deze periode werd nog geen gebruik gemaakt van radarfotografie of infraroodverkenning. In
de cockpit van de Thunderflash bevond zich een periscoop die de vlieger in staat stelde recht
onder het toestel te kunnen kijken.
bevindingen en waarnemingen kon vastleggen op de band. Het instellen van de sluitertijden
moest nog steeds voor de vlucht door de vlieger worden ingesteld, wel kon hij het aantal foto’s
Tevens was een z.g. “wire-recorder” ingebouwd zodat de vlieger al tijdens de vlucht zijn per
interval tijdens de vlucht regelen. Ook bevond zich in de cockpit de z.g. “viewfinder” die gebruikt
werd als hulpmiddel voor de vlieger waarbij deze door in het spiegeltje te kijken zijn doel zag
komen. Wanneer hij recht boven zijn doel vloog drukte hij op een knop op de stuurknuppel
waardoor de camera’s in werking werden gesteld.
Hieronder een mooi voorbeeld van
luchtverkenning.
De Cuba crises 6 nov. 1962, op de foto
de haven van Casida, en het Russiche
ship dat de raketten naar Cuba bracht..
De schaduw is van een McDonnals
RF-101 Voodo.
foto: The National Security Archive
De camera’s
Van de vijf daglicht camera’s is er een in de neus
van de pod geplaatst en kijkt recht vooruit.
Daarachter bevinden zich zowel links als rechts nog
eens twee camera’s. De voorste en de eerste
camera’s links en recht hebben een vaste stand en
een vast objectief van 70 mm. De resterende twee
camera’s hebben een uitwisselbaar objectief en
kunnen op verzoek voor de vlucht al naar het gelang
het soort objectief in een speciale stand worden
gezet. Op deze camera’s kunnen zowel 70 mm, 100
mm als 150 mm objectieven worden geplaatst.
De belichtingstijden variëren tussen de 1/376 en
1/7500 seconde. Bij de snelste sluitertijd worden
per camera 10 opnames per seconde gemaakt. Het
diafragma van de camera’s wordt automatisch
ingesteld al naar de behoefte bepaald door het
systeem dat de lichtval door het objectief meet. Om
te voorkomen dat er onscherpte optreedt wordt de
film tijdens het belichten getransporteerd waarbij de
filmtransport snelheid in een bepaalde verhouding
staat met de vliegsnelheid/vlieghoogte zodat het
geprojecteerde beeld in principe stil staat.
Zien is overwinnen
De beste militaire leiders zijn altijd
diegenen geweest, die zich vijandelijke
opstellingen wisten, hoe groter de
mogelijkheid was om hem op de meest
gunstige plaats en tijd te bevechten, en
hun nederlaag te bewerkstelligen.
tijd, maar duizenden jaren geleden al
bekend was blijkt uit het volgende.
De Chinese strateeg Sun Tzu had vijf
eeuwen voor Christus een belangrijke
visie op oorlogvoering. Zijn boodschap
aan zijn bevelhebbers luidde als volgt:
‘Ken uw vijand en weet waartoe u zelf in
staat bent, dan kunt u honderd
gevechten overleven, zonder dat het op
een ramp uitloopt’.
Op de foto: Sun Tzu
Maar ook dichter bij huis  schreef de
Griek Polybius in de klassieke oudheid
al: ‘Een goed Generaal moet zich
kunnen inleven in de uitgangspunten
en het karakter van zijn tegenstander’
Tot de 19e eeuw was verkenning
beperkt tot wat men kon zien vanaf een
(kunstmatige) heuvel, een toren of de
rug van een paard. Dit leidde niet
alleen tot het feit dat spionnen of
verkenners alleen maar een gedeelte
konden zien van het grote geheel, maar
vaak ook verkeerde conclusies trokken,
gebaseerd op die (beperkte)
waarnemingen. Dit leidde zo nu en dan
tot verpletterende nederlagen.
eerste bemande vlucht (later gevolgd
door het vliegtuig) in een
heteluchtballon en de uitvinding van de
fotocamera.
De eerste vlucht met een ‘lichter dan
lucht machine’, de heteluchtballon van
Montgolfier werd in 1783 uitgevoerd
door Pilatre de Lozier en Markies d’
Arlandes.
De eerste militaire toepassing, de
observatieballonnen, werd in Frankrijk
gebruikt bij de slag om Fleurus, in
1794.
Foto ballon: Ballon van Montgolfier.
Hij monteerde een camera onder een
vlieger, maar van de resultaten is De
werd gemaakt door Gaspard Felix
Tournachon, ook bekend als ‘Nadar’.
Hij fotografeerde de stad Parijs vanuit
een ballon.